Autonomie voor jeugdzorgwerker Rubicon

autonomie jeugdzorgwerker Rubicon Marieke Puts

Projectleider Marieke Puts

Wie als jeugdzorgwerker werkt bij Rubicon, zal de komende jaren steeds autonomer opereren als gevolg van de transitie jeugdzorg. “Dat vraagt veel van medewerkers”, zo zegt projectleider Marieke Puts. “Jeugdzorgwerkers zullen op een aantal punten hun kennis en kunde moeten doorontwikkelen en het mooie is dat ze dat niet alleen móeten, maar zelf ook graag wíllen”. Rubicon heeft daarom een reeks acties ondernomen om jeugdzorgwerkers de kans te geven hun professionele vrijheid te nemen en zo goed mogelijk in te vullen.

Veranderende visie

De Limburgse jeugdzorgorganisatie begint dan ook bij de basis: visie. De plek van de jeugdzorgwerker in het totale aanbod van hulp aan cliënten verandert immers grondig. Steeds meer wordt de jeugdzorgwerker ondersteunend aan informele hulp die door het sociale netwerk van cliënten geboden moet gaan worden. Daarnaast zal de professional steeds een andere positie innemen binnen de samenwerking met andere werkers binnen sociale wijkteams en zal er dicht bij gezinnen gewerkt worden. “Dat vraagt een goed doordachte kijk op de positie van de jeugdzorg en de jeugdzorgwerker in het geheel”.

Zelforganiserend werken

Grotere autonomie betekent behalve een veranderende visie ook dat er op andere manieren samengewerkt zal moeten worden. Niet de procedures en structuren moeten centraal staan, maar het werk moet zó georganiseerd worden dat de cliënt zelf er het maximale uithaalt. “Te lang was het zo dat successen behaald werden ondánks de organisatie, in plaats van dankzij de organisatie”. De autonome jeugdzorgwerker die Rubicon voor ogen heeft, zal daarom zijn eigen werkproces mogen vormgeven. Welke deskundigheidsbevordering nodig is, vergaderfrequentie, personeelswerving, de teams mogen het straks allemaal zelf bepalen. “Maar het werken in een zelforganiserend team vraagt een aantal competenties van medewerkers die niet vanzelfsprekend aanwezig zijn bij mensen die jarenlang in een hiërarchische omgeving gewerkt hebben”, zegt Puts, die zelf jarenlang jeugdzorgwerker en afdelingshoofd was bij Rubicon. De jeugdzorgwerkers van Rubicon zullen daarom getraind worden in zelforganiserend werken. Daarbij zal uitvoerige aandacht zijn voor onder meer communicatie- en vergadermethoden, het scheppen van consensus, verschillende teamrollen, systematisch werken en kwaliteitsbewaking.

Wijkgericht werken

De teams waarin de nieuwe, autonome jeugdzorgwerkers gaan werken, worden op verzoek van de werkers zelf veelal decentraal gehuisvest. Puts: “Dat heeft belangrijke voordelen. Je zit dan als jeugdzorgwerker dichter bij de leefwereld van de cliënt en de andere professionals die in zo’n wijk of dorp werken. Het kan soms heel goed zijn om eens met de straathoekwerker mee te kunnen lopen naar een groep hangjongeren die potentiële jeugdzorgcliënten zijn. Dan zien die jongeren ook dat je iemand bent die ze gewoon een hand kunnen geven. Dat maakt je als jeugdzorgwerker minder anoniem en toegankelijker.”
Wijkgericht werken is echter méér dan het richting de buurt verplaatsen van een werkplek uit de kantoren van de organisatie. Daarom worden alle medewerkers getraind in het benutten van burgerkracht en het vormgeven van samenwerking met andere professionals in de wijk. Het in kaart brengen van de sociale netwerken van de gezinnen waarmee de jeugdzorgwerker werkt, wordt ook een steeds belangrijkere vaardigheid, die dan ook de nodige aandacht krijgt.

Generalistisch werken

Elke jeugdzorgwerker van Rubicon zal een breder, meer integraal profiel krijgen dat aansluit bij het landelijk profiel van jeugdzorgwerker. Dit onderdeel blijkt vanwege de diversiteit aan ervaringen en affiniteiten van de werkers een maatwerkkwestie te zijn. “Voor de ene medewerker betekent het leren meer gezinsgericht te werken in aanvulling op jongerenbegeleiding. Voor een ander kan het juist betekenen zich te verbreden in jongerenbegeleidingsmethodieken. We sturen niet iedereen door hetzelfde programma maar kijken echt wat de afzonderlijke medewerker persoonlijk nodig heeft. Net als dat we uitgaan van vragen van gezinnen en kinderen doen we dat hier ook bij onze medewerkers”.

Niet alleen jeugdzorgwerkers

Het verandertraject richt zich niet alleen op de jeugdzorgwerkers zelf, maar ook op het bestuur en management. Ook daar zal een gedragsverandering moeten plaatsvinden omdat een toenemende professionele autonomie ook betekent dat de organisatorische structuren het nemen van handelingsruimte mogelijk moeten maken. Projectleider Marieke Puts: “Momenteel zien we dat er veel nadruk ligt op sturen en controleren binnen een hiërarchische organisatie. Dat zal moeten veranderen in coachen en ondersteunen binnen de context van een netwerkorganisatie. Er moet een platte structuur met autonome werkers ontstaan, waarin generalistische werkers de door hen geboden zorg zowel uitvoeren als organiseren. We moeten dus vooral niet alles op voorhand dicht willen timmeren”.

Onzekerheden transitie

Met dit project waagt Rubicon een sprong in het diepe, met name omdat er nog veel onzekerheid is over de transitie van de jeugdzorg. “Niemand lijkt precies te weten hoe die transitie er precies uit gaat zien en hoe deze per gemeente gaat uitpakken”, zegt Puts. “Wat gaan de gemeenten bijvoorbeeld zelf organiseren? Wat willen ze nog bij een zorgaanbieder inkopen? Maar desondanks staat vast dat jeugdzorgwerkers volgens andere principes moeten gaan werken dan ze gewend waren en dat ook organisaties zullen moeten meebewegen. Daaraan leveren we omwille van onze cliënten graag een bijdrage in de vorm van dit project”.

Provincie Limburg

Uiteraard kost het project ook geld, met name vanwege alle deskundigheidsbevordering die nodig is om bij jeugdzorgwerkers, managers, ondersteunende diensten en bestuurders de nieuwe visie én de daarbij behorende vaardigheden tussen de oren te krijgen. De provincie Limburg financiert daarom de kosten van de projectleiding en de deskundigheidsbevordering.

Lees hier meer over Rubicon en de ontwikkelingen binnen deze organisatie.

Interessant artikel? Blijf op de hoogte door u aan te melden voor onze nieuwsbrief.

2 gedachten over “Autonomie voor jeugdzorgwerker Rubicon

  1. Kasper Ramaekers

    Het zal mij benieuwen. Uiteraard is aansluiten bij de doelgroep een absoluut vereiste en juich ik dat al jarenlang toe. Echter “Schoenmaker blijf bij je Leest” ! Straathoekwerk is een specialistisch vakgebied en de straat is geen vindplek voor potentiële jeugdzorg klanten. Het wordt nog druk op straat nu Bureau Jeugdzorg en de Jeugdreclassering gelijke plannen hebben. Dit in combinatie met de generalisten en het bestaande jongerenwerk dat er al is, gaat een drukke boel worden.

    Reageren
  2. Antoine Berben

    Eigenlijk best wel jammer dat (wederom) vanuit en door de jeugdzorg een toekomstbeeld van zichzelf wordt geschapen waarbij (gemakshalve?) nog steeds op de huidige wijze gekeken wordt naar de toekomst.
    Nu is meestal een van de meest in het oog lopende aspecten van toekomst, in vergelijking met het heden, toch niet zelden dat dan dingen anders zullen zijn, in dit geval zelfs voorzienbaar anders.
    Dan valt het mij op dat gesteld wordt dat de toekomstige jeugdwerker veel autonomer zal gaan werken en daartoe over een aantal competenties dient te beschikken die wellicht nog nader ontwikkeld moeten gaan worden of verder worden uitgebouwd.
    Dat is jammer want volgens mij is de hele tendens van het toekomstig functioneren van de jeugdzorg nu toch vooral dat deze veel meer integraal onderdeel gaat uitmaken van de zorg in een wijk, dorp of kern, vanuit die onderlinge samenhang ook zal worden bezien en ingezet maar zeker niet gaat leiden tot een autonomer functioneren van de jeugdzorger. Immers, als er iets is dat met de transitie – in mijn ogen heel gelukkig maar – overboord werd gegooid is het de te afzonderlijke positie van de jeugdzorg zelf.
    Een afzonderlijkheid ooit ontstaan door wetgeving en vervolgens jarenlang gekoesterd met als gevolg dat de inzet niet alleen al jaren onvoldoende moest worden bevonden vanwege congruentieverschillen met andere gelijktijdig in een gezin opererende vormen van zorg, maar – nog erger – dat de jeugdzorg zichzelf meer en meer in een zelfgekozen ivoren toren kon verschansen.
    Hierdoor werd niet alleen te laat en veel te weinig gedaan aan de tekortschietende effecten van de zorginzet maar kwam de zorg en zeker ook een aantal jeugdwerkers en leidinggevenden gaandeweg steeds verder van de realiteit af te staan. Niet doordat men de aangetroffen ellende niet goed duidde of onvoldoende er de ernst van kon of wilde onderkennen maar dat er gewoon veel te weinig aandacht, laat staan samenwerkingswil was naar alle andere zorgaanvieders in een gezin.
    Die afstand leidde vervolgens ook nog eens tot een soort van totale veranwoordingsloosheid du moment dat er heel erg veel te verantwoorden viel publicitair vooral maar ook causaal waardoor de publieke waardering van de jeugdzorg volstrekt is gekelderd.

    Daarom ben ik een sterke voorstander van de transitie, verantwoordelijkheid daar neerleggen waar de burger ook verantwoordelijkheid verwacht, namelijk bij de dichstbijzijnde overheidslaag: de gemeente.

    De invoren torens dienen gesloopt en de jeugdwerkers er full-time uit te worden bevrijd opdat zij zich kunnen weervinden in nieuwe integrale teams op wijk- dorps- of kernniveau. Waar beslissingen worden genomen vanuit een breed perspectief en waar automatisch ook andere – heel praktische – invalshoeken aan de orde komen bij de afweging van het nemen van deze of gene beslissing en/of maatregel.
    Maar dan stel ik ook vast dat er dus niet zo zeer een autonomer functionerende jeudgwerker van node zal zijn maar veeleer iemand die vanuit overleg binnen teams in staat is om alleen of samen tot een goede belangenagfweging te komen. Samenwerkende jeugdwerkers dus die zich ook inhoudelijk in een team (sociale wijkteam bijvoorbeeld) geborgen mogen en kunnen voelen.

    Maar ook jeugdwerkers die er aan moeten wennen dat zij veel meer dan tot op heden en ook nog eens veel transparanter dan tot nu toe hun handelen moeten kunnen verklaren en verantwoorden. Er is dan niet alleen maar meer ergens een chef, nog verder weg een kinderrechter en bijna aan het eind van het zwerk ook nog eens een inspectie c.q. ministerie waaraan verantwoord moet worden maar er zijn dan veel kortere lijnen, per gemeente of per uitvoeringsorgaan van een aantal gemeenten.
    En ook is die verantwoording voortaan veel dynamischer; ik voorspel u na de transitie zal elk nieuw Maasmeisje tot vragen omtrent het aanblijven van de politiek verantwoordelijk wethouder in de gemeente gaan leiden!
    Dames en heren jeugdwerkers: u zult zien dat dit toch een andere verantwoordingsvorm vergt, niet dat deze beter of slechter zal zijn dan u gewend bent maar harder en veel meer gericht op het beantwoorden van vragen omtrent wat er nu precies allemaal mis is gegaan aangezien de wehouder in de gemeenteraad verondersteld wordt om die vragen helder en duidelijk te kunnen beantwoorden.

    Er is wel nog een stuk autonomie in de jeugdzorg dat mij steeds minder aanstaat maar waarvan ik nog niet kan zeggen dat het verdwijnt helaas. En dat is de afstand die bij een aantal leidinggevenden in de jeugdzorg nu – september 2013 – nog steeds blijkt te bestaan tussen hun eigen denken en wat zij zich van de toekomst voorstellen en de realiteit die zich dagelijks meer aan ons gaat ontvouwen naarmate we dichter bij 1 januari 2015 geraken, de invoering van de Participatiewet.
    Ik proef daar – naar mijn gevoel – veel te weinig de overtuiging dat de jeugdzorg een onderdeel zal zijn van de samenwerkende hulpverlening/zorg en koppel hieraan ook de helaas te maken vaststelling dat er op deze manier al veel waardevolle tijd verloren is gegaan en waarschijnlijk ook nog zal gaan. Wanneer er nu nog overal cursussen worden aangeboden voor de jeugdzorg waarin aangeboden wordt om zich te gaan verdiepen op wat men wenst vanuit de jeugdzorg aan positie in de transitie te mogen en ook kunnen aannemen dan is dat voor mij een helder bewijs van te lang voortdurende autonomie binnen de jeugdzorg.
    Die tijd is voorbij, we zitten bijna in 2014 en van ons allemaal wordt verwacht dat we in 2015 toch een herkenbare start moeten kunnen maken.

    Indien deze woorden verder tijdsverlies kunnen voorkomen ben ik alvast ietwat minder ongerust!

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *